“Ik, Jan van Schaffelaar”

“Ik, Jan van Schaffelaar”

Tekst: Martin Jansen

Op 24 november 2017 is/wordt het beeld onthult van een zittende Jan van Schaffelaar. Eindelijk! 

Want Jan heeft maar liefst 114 jaar gestaan bij de beroemde kerktoren waar hij van afsprong. En zeker, hij blijft daar ook staan, maar hij maakt nu ook een uitstapje door het knusse centrum van Barneveld, waar de fluisteringen uit het verleden nog zachtjes tegen de winkelpanden echoën. En via de oude straatstenen rondcirkelen over het Raadhuisplein, waar het carillon zijn bronzen oren ten luisteren legt en de verhalen levend houdt in zijn spel.

En als hij dan de Jan van Schaffelaarstraat is ingelopen, ietwat stram van het staan, slaat hij af het Dijkje op. En aan het einde, waar het Dijkje samen komt op de kruising met het Raadhuisplein, De Nieuwstraat en de Nairacstraat neemt hij zijn rust en zakt op zijn sokkel neer. Het valt niet mee met dit zware harnas aan. Doodstil blijft hij zitten. Hij is trots op dit dorp. Even moet hij grinniken in zichzelf, er gaan tenslotte zoveel verhalen over hem rond. Wat ze wel weten is dat hij zich heeft opgeofferd voor zijn metgezellen op die bewuste zomermiddag in juli 1482.

De klap was hard toen hij de aarde raakte. Even had hij omgekeken toen ze enkele jaren geleden de plek markeerden waar hij neer was gekomen en nog even zwaargewond had gelegen, voor zijn Hoekse vijanden hem de fatale doodsteken toebrachten. Maar nu hoeft hij niet langer alleen maar te staan. Nu maakt hij een dagelijks ommetje en rust dan altijd op deze plek.

Hij ziet de wethouder even uit het raam naar hem kijken.  Een paar schoolkinderen komen aangelopen en zetten zich op het bankje naast hem.

Hij voelt dat één van de kinderen aandachtig naar hem kijkt. ‘Weet je’, zegt de jongen tegen zijn vriendjes, ‘Die Jan van Schaffelaar hier was vroeger best een held, hij sprong van de toren van de grote kerk daar.’ Hij wijst schuin over het raadhuis naar de spits van de oude kerk. Zijn vriendjes komen om het beeld heen staan en kijken aandachtig naar het prachtig gebeeldhouwde figuur.

‘Ik ken de beeldhouwer van dit beeld van Jan’, zegt een ander, ‘Die heet ook Jan, tenminste gedeeltelijk, want hij heet Jan-Carel met zijn voornaam’. De andere jongens knikken. Ook zij kennen de beeldhouwer van dit prachtige beeld. ‘Ja, dat klopt’, zegt de derde, ‘hij heet Jan-Carel Koster een geboren Barnevelder en best wel beroemd ook in het buitenland. ‘Echt!?’, zegt de eerste nu, ‘wauw, ik zou willen dat ik zo zou kunnen beeldhouwen. Dat gezicht komt mij trouwens bekend voor.’ Opeens klinkt er getik van een stok op de klinkers.’Dag jongelui’, klinkt de joviale stem achter hen, ‘dat gezicht zou je best kunnen kennen ja.’ De jongens kijken vol verbazing naar de man met de stok, ze herkennen hem gelijk. Het is de burgemeester! De burgemeester vervolgt: ‘Dat gezicht is namelijk afgeleid van de vader van de beeldend kunstenaar, Chris Koster. Leuk hé? Misschien worden we nog wel eens kunststad van het land’, besluit hij met een glimlach. Hij knikt naar de jongens en draait zich om. Maar voor hij verder wandelt, zegt hij opeens: ‘Wees trots op onze Jannen, zowel hij die hier zo fier zit, als ook diegene die hem zo kunstig heeft gecreëerd.’ De jongens knikken zwijgend en kijken de geliefde burgemeester na. Daarna draaien ze zich nog even om en kijken naar de stille beeltenis van de fiere ruiter hoofdman. ‘Weet je’, verbreekt er één het stilzwijgen, ‘als Jan eens wist wat er allemaal over hem gezegd wordt, wat zou hij trots zijn. En dat er een beeld van hem gemaakt zou worden voor de heldensprong die hij ooit maakte om de levens van zijn vrienden te redden, hij moest eens weten’ ‘Zo is dat!’ besluit zijn vriend en slaat met een vriendschappelijke schouderklop op het koude steen. Met een laatste blik naar het beeld pakken de jongens hun schooltassen en slenteren verder het dorpscentrum in.

Onder zijn helm kijkt Jan van Schaffelaar de jongens na. Hij voelt de trots onder zijn harnas opzwellen. Het wordt ook tijd om maar weer eens onder de toren te gaan staan. Ze moesten eens weten, hij heeft het geheim van de tijd ontdekt. Waar ze ook kijken, altijd zal hij onder de toren op zijn sokkel staan, maar door die geweldige kunstenaar Jan-Carel Koster mag hij nu ook zijn ronde doen en rustig op het bankje bij het Dijkje gaan zitten. Even kijkt hij rond, hij ziet de wethouder weer naar hem kijken, zou die wat vermoeden? Hij glimlacht ongezien. Hij herkent het liedje dat het carillon in de toren van het oude raadhuis speelt. Het is het nostalgische versje Het Dorp.

Weet je wat, ik blijf nog even…

 

Marti Jansen

Schrijver/dichter/storyteller

Categorie Kunst & Cultuur